Spiekbrief
Haal het beste uit je organisatie en jezelf. Abonneer je op onze spiekbrief.

| Door: Jenneke Koopman-Homma- IKC adviseur | 0682393155 j.koopman@spiekr.nl |
|||
| 3 dagen bijspiekeren in Finland | ||||
| Als IKC-adviseur bij Spiekr ondersteun ik organisaties bij het versterken van de doorgaande lijn van 0 tot 13 jaar, het maken van pedagogische keuzes en het organiseren van een omgeving waarin kinderen zich breed kunnen ontwikkelen.
Juist in dat werk merk ik hoe belangrijk het is om af en toe even uit te zoomen. Om niet alleen te kijken naar hoe wij het in Nederland georganiseerd hebben, maar ook naar hoe het anders kan. Ik probeer mijn eigen kennis dan ook steeds bij te spij(ie)keren. Door lezingen bij te wonen, door artikelen en boeken te lezen en vooral door veel te kijken en te luisteren naar hoe anderen het doen. Spieken dus. Toen ik werd gevraagd als hulpreisleider bij een studiereis van Mundo Kinderopvang, georganiseerd door Childcare International naar Finland, was mijn antwoord dan ook: “natuurlijk, graag!” Wat een prachtige kans om het Finse systeem beter te leren kennen. Om te zien hoe zij opvang en onderwijs vormgeven. Vanuit welke visie zij werken en binnen welke kaders zij dat doen. Ik was daarbij vooral nieuwsgierig naar een aantal dingen. Hoe werkt het dat Finland al jaren zo hoog scoort in internationale vergelijkingen zoals PISA? Wat doen zij in de eerste jaren van kinderen dat daar mogelijk aan bijdraagt? En welke rol speelt buitenspelen en buiten zijn eigenlijk in de ontwikkeling van kinderen, zoals zij dat zien? In slechts drie dagen heb ik veel interessante en nieuwe inzichten opgedaan. Die deel ik graag met jullie. |
||||

Finland in het kort
|
Finland telt ongeveer 5,5 miljoen inwoners. Daarvan is een relatief klein deel jong: zo’n 1 miljoen kinderen en jongeren onder de 18 jaar. Kinderopvang en onderwijs vormen in Finland één samenhangend systeem. De vroege jaren vallen onder wat zij noemen Early Childhood Education and Care (ECEC). Dat is nadrukkelijk méér dan opvang: het richt zich op ontwikkeling, spel, leren en participatie. Kinderen gaan vaak vanaf ongeveer 1 tot 1,5 jaar naar de kinderopvang, afhankelijk van de keuzes van ouders en de duur van het ouderschapsverlof. Finland kent een ruim systeem van ouderschapsverlof, waarbij beide ouders tijd kunnen nemen na de geboorte van een kind. Daardoor blijven veel kinderen in het eerste jaar thuis. Ongeveer 70 tot 80% van de jonge kinderen neemt daarna deel aan kinderopvang of voorschoolse educatie. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het aanbieden hiervan en hebben een zorgplicht: elk kind heeft recht op een plek. De kinderopvang wordt grotendeels publiek gefinancierd. Ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage, maar de kosten blijven relatief laag. Voor 5- en 6-jarigen is een deel van de voorschoolse educatie (ongeveer vier uur per dag) gratis. Wat opvalt is dat er geen harde scheiding is tussen opvang en onderwijs, zoals wij die kennen. De focus ligt in de eerste jaren op spel, ontwikkeling en welzijn. Formeel leren start pas rond 7 jaar, wanneer kinderen naar de basisschool gaan. |

| Resultaten |
Finland staat al jaren bekend om zijn sterke prestaties in het internationale PISA-onderzoek. PISA (Programme for International Student Assessment) is een grootschalig onderzoek van de OESO waarin wordt gekeken hoe 15-jarigen functioneren op het gebied van lezen, rekenen en natuurwetenschappen. Het gaat daarbij niet alleen om kennis, maar vooral om hoe goed leerlingen die kennis kunnen toepassen in het dagelijks leven. In de meest recente metingen (PISA 2022) scoort Finland nog steeds duidelijk boven het OESO-gemiddelde. Vooral op leesvaardigheid behoren Finse leerlingen al jaren tot de betere presteerders in Europa. Waar veel landen de afgelopen jaren een daling laten zien, weet Finland relatief stabiel te blijven. Wat Finland bijzonder maakt, is dat zij dit bereiken zonder: · veel gestandaardiseerde toetsen · lange schooldagen · hoge prestatiedruk op jonge leeftijd Juist die combinatie maakt het interessant. Kinderen starten later met formeel leren, krijgen veel ruimte voor spel en ontwikkeling in de eerste jaren en ervaren relatief weinig druk. Toch leidt dit tot sterke cognitieve prestaties op latere leeftijd. Dat roept vragen op. · Wat doen zij in de eerste jaren dat zo’n stevig fundament legt? · Welke rol speelt spel daarin? · Wat betekent dat voor hoe wij in Nederland naar leren en ontwikkelen kijken? |
| Dag 1: Bijspiekeren in Finland | |
|
Op de eerste dag bezochten we het hoofdkantoor van Folkhälsan in Helsinki. Folkhälsan is een bijzondere organisatie in Finland. Van oorsprong is het een Zweedstalige organisatie, gericht op de Zweedssprekende minderheid in Finland. Ongeveer 5% van de Finse bevolking spreekt Zweeds als moedertaal. Vanuit die achtergrond is Folkhälsan ontstaan, met als doel de gezondheid en het welzijn van deze groep te versterken. Inmiddels is het uitgegroeid tot een brede organisatie die zich richt op welzijn, gezondheid, onderzoek en dienstverlening voor kinderen, jongeren en gezinnen.
|
|
| Waar richt Folkhälsan zich op?
De kern van hun werk ligt bij (brein)gezondheid en preventie. Hun uitgangspunt is dat wat je in de eerste levensjaren doet, van grote invloed is op de rest van het leven. Niet alleen op cognitieve ontwikkeling, maar juist ook op sociaal-emotionele ontwikkeling, welbevinden en de gezondheid op de lange termijn. Daarom richten zij zich sterk op jonge kinderen en hun omgeving. Ze bieden onder andere: · kinderopvang · voorschoolse educatie · ondersteuning voor gezinnen · programma’s rondom gezondheid en welzijn Vooral in de leeftijd van 0 tot ongeveer 12 jaar, met een duidelijke nadruk op de vroege jaren. |
|
| “The task of Samfundet Folkhälsan i svenska Finland is to promote health among the people across Swedish-speaking Finland, partly through comprehensive scientific research on the population’s mental and physical health, and partly through practical measures that advance public health.”
This mission statement (purpose clause) was formulated when Folkhälsan was founded in 1921 and has since guided our work in promoting health and well-being in Swedish-speaking Finland |
|
| Onderzoek als basis
Wat Folkhälsan echt onderscheidt, is de combinatie van praktijk en onderzoek. Ze doen zelf onderzoek, vaak in samenwerking met universiteiten, naar vragen als: · wat draagt bij aan een gezonde ontwikkeling van kinderen? · welke factoren versterken veerkracht en welbevinden? · hoe kun je ontwikkeling vroegtijdig ondersteunen? Dat onderzoek is niet abstract, maar direct gekoppeld aan hun eigen praktijk. Ze testen interventies in hun eigen kinderopvanglocaties en volgen de effecten daarvan. Wat werkt, wordt doorontwikkeld en breder ingezet. Wat niet werkt, wordt aangepast. Wat levert dat op? Wat zij onder andere hebben ontdekt, is hoe belangrijk de vroege jaren zijn voor de ontwikkeling van het brein. Factoren die steeds terugkomen in hun aanpak zijn: · veiligheid en voorspelbaarheid · rijke interactie tussen kinderen en volwassenen · ruimte voor spel en beweging · aandacht voor sociaal-emotionele ontwikkeling En misschien nog wel het belangrijkste: de samenhang tussen al deze factoren. Ontwikkeling wordt niet opgeknipt, maar als geheel bekeken. Hoe zie je dat terug in de praktijk? Die inzichten zie je terug in hoe zij kinderopvang en educatie vormgeven. Bijvoorbeeld: · veel aandacht voor spel als basis voor leren · een sterke focus op relaties en interactie · ruimte voor bewegen en buiten zijn · ondersteuning die zoveel mogelijk binnen de groep wordt georganiseerd Ook zie je dat professionals werken vanuit kennis en onderbouwing. Niet alleen op basis van ervaring, maar ook vanuit wat onderzoek laat zien.
|
|
| Het zet me aan het denken.. |
Het zet mij aan het denken over opvang en onderwijs in Nederland. Hoe sterk is bij ons de verbinding tussen wat we weten en wat we doen? Hoe vaak werken wij echt vanuit onderbouwde keuzes? Hoe zorgen wij dat kennis niet ergens blijft hangen, maar zichtbaar wordt in het dagelijks handelen?
|
| Dag 2 Bijspiekeren in Finland | ||||
| Op dag 2 gingen we de praktijk in en bezochten we verschillende kinderopvanglocaties.
De groep werd gesplitst. Eén van de locaties die ik bezocht, was een kinderopvang die samenwerkt met een seniorenvoorziening Vantaa (Vallmovägen). Kinderen en ouderen brengen daar een deel van de dag samen door. Ze eten samen, doen activiteiten samen en zijn gewoon samen in één gebouw. Het is geen project of iets wat af en toe georganiseerd wordt, maar onderdeel van het dagelijks leven. Wat mij daarin opvalt, is hoe vanzelfsprekend dit voelt. Er zit geen expliciet doel achter, maar het heeft wel degelijk betekenis. Kinderen groeien op in contact met andere generaties en ouderen blijven onderdeel van het dagelijks leven. |
||||
| Binnen kijken
Binnen in de kinderopvang vallen een aantal dingen op. De ruimtes zijn niet groot, maar wel praktisch en doordacht ingericht. Ze worden multifunctioneel gebruikt en zijn overzichtelijk. Kinderen zitten in vaste groepen met dezelfde professionals. Eén vaste leerkracht (hoofd pedagoge) werkt samen met twee pedagogisch medewerkers en begeleidt vijf dagen per week dezelfde groep kinderen. Naarmate kinderen ouder worden, verandert dat. Er zijn dan minder begeleiders per groep en meer kinderen. Op die manier wennen kinderen geleidelijk aan minder individuele aandacht, zoals dat later ook op school is. Kinderen stromen alleen in de herfst in. En dan één voor één. De locatie is van binnen op het eerste gezicht niet direct heel aanlokkelijk. Het oogt vrij eenvoudig. Maar als ze beginnen te vertellen over hun visie, over het belang van kinderen het zelf laten doen en daar de tijd voor nemen, dan ga je het ineens anders zien. Een mooi voorbeeld daarvan is het naar buiten gaan. Dat kan soms wel een uur duren, omdat kinderen zichzelf aankleden. De vraag komt al snel op: waarom helpen ze niet? Dan gaat het toch sneller? Hun antwoord is helder: “Als we helpen, leren kinderen het niet zelf. Is dat dan geen zonde van de tijd? “Nee, juist niet. Leren aankleden is net zo belangrijk als buiten spelen. We nemen de tijd. We hebben vijf jaren voordat ze naar school gaan.” Na het ontbijt gaan de kinderen naar buiten. Rond 11 uur is er een warme lunch. Vers gekookt. Gewoon wat er die dag op het menu staat. En alle kinderen eten het. Zonder morren. De gymzaal wordt tussen de middag omgebouwd tot slaapzaal. Alle kinderen rusten daar tegelijkertijd. De begeleiders zijn in dezelfde ruimte als de kinderen. Ze lezen wat, zingen wat, zijn aanwezig. Meer niet. Na het slapen is er een kleine snack en daarna gaan de kinderen weer naar buiten. Of ze doen een activiteit samen. lezen, zingen, een spel, op ontdekkingstocht. Ze bedenken en plannen het niet van te voren maar kijken naar wat de kinderen die dag nodig hebben en hoe ze de kinderen kunnen ondersteunen in hun ontwikkeling. |
| Het zet me aan het denken.. |
Wat vraagt het van ons om kinderen écht de tijd te geven om zelf te leren, ook als dat betekent dat het langer duurt? Hoe kijken wij naar onze dagindeling: sturen wij vooral op efficiëntie of op ontwikkelkansen? In hoeverre stemmen wij ons aanbod gedurende de dag af op wat kinderen op dat moment nodig hebben?
|
| Middagprogramma dag 2 |
| Vanmiddag hadden we een programma op het hoofdkantoor van Folkhälsan.
We kregen verdieping op twee thema’s: Meer hierover: Wat helpt om dit goed te begrijpen, is de context van Finland zelf. Bij Folkhälsan betekent dit concreet: Zweedstalige kinderopvang en onderwijs, met veel aandacht voor cultuur, verbondenheid en jezelf kunnen zijn. Dat voelt voor ons in Friesland heel herkenbaar. Ook wij zien hoe belangrijk het is dat kinderen hun eigen taal kunnen spreken. Het Fries draagt cultuur, geschiedenis en identiteit. Tweetaligheid begint bij ons dus ook al in de kinderopvang. Daarnaast viel hun visie op inclusie op. Ze kijken niet eerst naar het systeem, maar naar het kind: wat heeft dit kind nodig? Daar hoort ook organisatie bij. Kinderen met extra ondersteuningsbehoeften ‘tellen’ zwaarder mee in de groepsgrootte (ongeveer 1,5 tot 3,5 plek, afhankelijk van de zorgvraag). Daardoor ontstaat ruimte om extra handen in te zetten. Ook wordt ondersteuning praktisch georganiseerd. Bijvoorbeeld door specialisten zoals een logopedist of fysiotherapeut meerdere keren per week in te zetten voor een groep kinderen met vergelijkbare behoeften. Inclusie is hier dus geen ideaal, maar concreet georganiseerd in de praktijk. Een uitspraak die bij mij is blijven hangen: Na alle gesprekken en bezoeken was het tijd voor frisse lucht en een goede maaltijd. Morgen meer!
|
| Het zet me aan het denken.. |
Wat maakt dat wij taal (zoals Fries) soms nog als “extra” zien, terwijl het eigenlijk een fundament is voor identiteit en ontwikkeling? Wat gunnen wij kinderen als het gaat om hun taalidentiteit? Niet alleen de Friese taal, maar ook Marokkaans en Turks etc.? Wat doen wij al om het voor kinderen passend en inclusief te maken in de dagelijkse praktijk?
|
| Dag 3 Bijspiekeren in Finland | |||
| Vandaag gingen we op bezoek bij een buitengroep van de kinderopvang. Een groep waar kinderen van 4 en 5 jaar niet de hele dag binnen zijn, maar veel buiten. In het bos. Weer of geen weer. Rain or shine.
En wij mochten mee. Heerlijk met takken sjouwen, een hut bouwen, mieren zoeken, een wip-wap maken van een grote biels. Het was erg mooi om te zien hoe kinderen dit bos bekijken, beleven en bespelen. Buiten zijn is de basis, maar wel doordacht. Op het terrein staat een huisje waar ze kunnen opwarmen en eventueel eten. Tussen de middag gaan alle kinderen terug naar het hoofdgebouw om te rusten of te slapen. Samen, in alle rust. En ze gaan niet altijd naar hetzelfde bos. Op dinsdag pakken ze vaak de trein en zien ze wel waar ze uitkomen. Op donderdag gaan ze naar de bibliotheek. Ook buiten wordt er gewerkt aan ontwikkeling. Activiteiten rondom taal en rekenen zijn verweven in de dag. Voorlezen, rijmen, zingen, praten over gevoelens en over wat je doet en wat dat betekent voor een ander. Alles gebeurt in de natuur. De lunch, die is natuurlijk ook gewoon buiten! De kinderen zitten niet op hun stoeltje, maar gewoon op de grond. Ze smeren geen boterham, maar eten een gezonde warme maaltijd met salade. Ze liggen ook. En kletsen en spelen. Wat opvalt? Ze eten allemaal. Op hun eigen tempo. Op hun eigen manier. En tussendoor gaat het experimenteren gewoon door. Een beetje hot-sauce (ja dat eten ze!) op het hout voor het vuurtje en kijken wat er gebeurt…“brinne???” 🔥 Nee geen vuur te zien. Toch maar wat water erover. En dan het gesprek: “hoe moesten ze al die nieuwe juffen nu toch redden als er wel vuur zou komen??” Samen bedachten ze de oplossing, want ze wisten toch de weg naar de trein? Daar gingen ze ons dan
|
|||
| Pesten niet toegestaan!
‘s middags kregen we uitleg over het onderzoek wat zij doen naar pesten en gepest worden en het programma dat ze hiervoor hebben opgesteld. De focus ligt niet op het oplossen van pestgedrag achteraf, maar op het voorkomen ervan. Een duidelijke, preventieve werkwijze. Ze observeren kinderen vanaf het eerste begin heel goed en helpen hen stap voor stap om sociale en emotionele competenties te ontwikkelen. Kinderen leren zich uiten, krijgen taal aangereikt voor hun emoties en er is veel aandacht voor het reguleren van gedrag. Dat observeren is ook nodig. Kinderen die pesten en kinderen die gepest worden, laten vaak vergelijkbare ontwikkelbehoeften zien op sociaal en emotioneel vlak. Juist daarom ligt de nadruk niet op labels, maar op wat een kind nodig heeft om zich verder te ontwikkelen. Wat hier ook indruk maakte: ze hebben veel onderzoek gedaan naar wat kinderen zelf als pesten ervaren. En dat kunnen ze al op jonge leeftijd heel goed verwoorden. Uitspraken als: Het laat zien hoe subtiel pesten kan zijn en hoe belangrijk het is om goed te luisteren naar wat kinderen zelf aangeven. Er wordt veel met kinderen gepraat. In kleine groepjes, in de dagelijkse situaties, tijdens het spelen. Over hoe je je voelt, wat je doet en wat dat betekent voor een ander. Volwassenen luisteren. Stellen vragen. Benoemen wat ze zien. Het gaat minder over: wie deed wat en waarom? Dat is een andere benadering dan bij programma’s en protocollen die juist uitgaan van situaties analyseren en gedrag bijsturen. Hier ligt de nadruk in de jongste fase op het opbouwen van een stevige basis. Relaties, zelfinzicht en taal. Pas als kinderen ouder zijn, wordt er meer expliciet gekeken naar gedrag, rollen en groepsdynamiek. |
|
| Het zet me aan het denken.. |
Hoe goed luisteren wij eigenlijk naar wat jonge kinderen zelf zeggen over buitensluiten of pesten? In hoeverre richten wij ons op gedrag corrigeren, of op het ontwikkelen van onderliggende sociale en emotionele vaardigheden? Wat kun je doen om bewust preventief een veilige groep te bouwen, nog vóórdat er sprake is van pesten? |
| Genderneutrale kinderopvang en onderwijs | ||
| Een ander thema waar we vandaag in doken: genderneutraliteit.
In Finland is dit geen los onderwerp, maar onderdeel van een bredere kijk op gelijkheid en inclusie. Het gaat niet alleen over jongen of meisje zijn, maar over de ruimte die ieder kind krijgt om zichzelf te ontwikkelen, zonder dat verwachtingen hen beperken. Die verwachtingen zitten vaak in kleine dingen. In hoe we praten, wat we aanbieden en wat we normaal vinden. Meestal onbewust. Ze legden dit uit aan de hand van een cirkel. In het midden staat het kind. Daaromheen alles wat invloed heeft: volwassenen, taal, materialen, de groep en de bredere cultuur. Al die lagen vormen samen de ruimte waarin een kind zich ontwikkelt. Als professional kijk je steeds opnieuw naar die cirkel. Wat gebeurt hier? Welke aannames spelen mee? En wat betekent dat voor dit kind, op dit moment? Wat we hiervan leerden, is hoe subtiel het werkt. Het zit niet in grote ingrepen, maar in kleine keuzes gedurende de dag. Een voorbeeld dat me bijbleef: In Finland proberen ze dat anders te benaderen. Niet vanuit uitzonderingen, maar vanuit gelijkwaardigheid. Kleding, spel en gedrag zijn niet van “jongens” of “meisjes”, maar van kinderen. We zagen ook dat verschillen er gewoon mogen zijn. Sommige kinderen zoeken meer beweging, anderen juist rust. De één kiest voor bouwen, de ander voor rollenspel. Dat loopt door elkaar heen en verandert gedurende de dag. Het wordt nergens vastgezet. Genderneutraal werken betekent hier vooral: bewust zijn van je invloed, zodat ieder kind de ruimte houdt om zichzelf te zijn. Dat klinkt eenvoudig. Maar het vraagt dat je blijft kijken, blijven afstemmen en soms ook je eigen aannames durft los te laten. Het zette me aan het denken. Hoeveel ruimte geven wij kinderen echt?
|
||
| Het zet me aan het denken.. |
Welke (onbewuste) verwachtingen geven wij mee in ons taalgebruik en ons gedrag naar kinderen? Wanneer bedoelen we iets inclusief, maar zit er toch nog een aanname onder verstopt? Wat kunnen wij morgen anders doen om kinderen nog meer ruimte te geven om zichzelf te zijn?
|





Haal het beste uit je organisatie en jezelf. Abonneer je op onze spiekbrief.